De Nederlandse economie kan een nieuwe stijging van energieprijzen beter opvangen dan tijdens de crisis van 2022–2023. Door het inkrimpen van energie-intensieve industrieën en de groei van minder energiegevoelige sectoren wordt de economische terugval bij een nieuwe prijsschok naar verwachting kleiner.
© Eurostat, bewerking ING Research
De industrie als geheel herstelde pas in 2025 volledig van de vorige energiecrisis, maar de ontwikkeling verschilt sterk per sector. De chemie (exclusief farma), bouwmaterialenindustrie en basismetaal liggen nog steeds onder het niveau van 2021, terwijl de machine-industrie en de farmasector juist in omvang zijn gegroeid.
De totale energie-intensieve industrie levert in 2025 3,6% van de Nederlandse toegevoegde waarde, tegenover 4,4% in 2021. Dit betekent dat een kleiner deel van de economie nu direct gevoelig is voor hoge energieprijzen. Tegelijkertijd blijven sommige energie-intensieve bedrijven kwetsbaar door lage bezettingsgraden en beperkte financiële buffers.
Minder energie-intensieve industrietakken, zoals farmacie en machine-industrie (waaronder chipmachines), hebben hun aandeel in de economie vergroot van 7,7% in 2021 naar 8,2% in 2025. Daarmee zijn zij nu belangrijker voor de toegevoegde waarde van Nederland dan de energie-intensieve industrie. Dit wijst op een structurele verandering in de Nederlandse industrie, die de economie minder afhankelijk maakt van energie-intensieve sectoren.
Door deze verschuiving zal bij een eventuele nieuwe energieprijsschok een kleiner deel van de industriële waardecreatie geraakt worden. Hierdoor kan de economische terugval mogelijk beperkter uitvallen dan in 2022–2023 en is de druk op de overheid om het bedrijfsleven te ondersteunen waarschijnlijk minder groot.
Bron: ING