Op 19 januari 2026 kondigde president Trump nieuwe invoerheffingen aan tegen Europese landen als reactie op hun militaire oefening in Groenland. Vanaf 1 februari gaat een tarief van 10% gelden op alle goederen, oplopend tot 25% per 1 juni als er geen akkoord wordt bereikt. Betroffen zijn onder meer Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Nederland, het VK en Noorwegen. Dit komt bovenop het bestaande tarief van 15%, wat de totale druk op Europese export aanzienlijk verhoogt.
© Ifeelstock | Dreamstime
De Amerikaanse maatregel, gestoeld op de International Emergency Economic Powers Act (IEEPA), creëert juridische en praktische onzekerheid. Het Hooggerechtshof kan de tarieven deels terugdraaien, maar vervangende instrumenten zoals Section 122-tarieven zouden de escalatie deels in stand houden.
Europa beraadt zich over een reactie. Mogelijke opties zijn vergeldingsheffingen tot 30% op Amerikaanse importen, het opschorten van de handelsovereenkomst met de VS, of inzet van het anti-coercion instrument (ACI) op de handel in diensten. De ACI kan onder meer toegang tot de EU-markt beperken, intellectuele-eigendomsrechten aanpassen en Amerikaanse bedrijven uitsluiten van aanbestedingen.
© Donfiore | Dreamstime
Economisch kan een kortstondige invoering leiden tot tijdelijke groeivertraging door afname van export ('backloading'), gevolgd door herstel als tarieven worden ingetrokken. Bij volledige escalatie tot 25% zou het effectieve tarief 40% kunnen bereiken, wat de concurrentiepositie van de EU ernstig zou ondermijnen en mogelijk het bbp op korte termijn drukt.
Voor Nederland, dat 60% van zijn export naar de VS in eigen productie levert, betekent dit extra onzekerheid en mogelijke indirecte effecten op andere handelspartners. Voor de VS zelf zou een verhoging van de tarieven de economie negatief kunnen raken, vooral bij Europese vergeldingsmaatregelen. De komende weken blijven cruciaal voor het verloop van deze handelsspanningen.
Bron: ABN AMRO